|
1.Wapen van Eindhoven:
2.Wanneer werd Eindhoven een stad?
3.Oude Plattegronden: 5 eeuwen stadsontwikkeling
in beeld
4.Hoe is de stad aan de naam Eindhoven gekomen?
5.Groei van Eindhoven
6. Het ontstaan van Groot Eindhoven
7. Bedrijvigheid in Eindhoven
8. Nieuwkomers
9. Verkeerswegen
10. Eindhoven leading in technology in historisch
perspectief
1.Wapen van Eindhoven:
Het wapen van de gemeente Eindhoven vertoont een schild waarop
een leeuw en drie horens zijn afgebeeld, het geheel wordt door een
kroon voltooid.
De leeuw, een symbool van moed, was het teken van de hertog van
Brabant en van zijn macht. Voorts was het een teken dat het gezag
in de plaats die het leeuwenteken voerde, namens de hertog werd
uitgeoefend.
De drie horens, die op het wapen prijken, werden vroeger gevoerd
door de familie van Horne, de eerste bezitters van de heerlijkheid
Eindhoven. De kroon is er in de 17e eeuw aan toegevoegd. Het is
geen koningskroon, maar een kroon zoals die gewoonlijk door een
graaf werd gedragen.
De afgebeelde figuren komen al voor op het oudst bekende stadszegel,
namelijk op dat van 1355.
Dit wapen is officieel vastgesteld in 1923.
naar boven
2.Wanneer werd Eindhoven een stad?
Eindhoven kreeg in 1232 stadsrechten. De kleine agrarische nederzetting
aan Dommel en Gender kreeg deze toegekend door Hertog Hendrik I
van Brabant. Waarschijnlijk om zo het handelsverkeer te bevorderen
van noord naar zuid (Den Bosch- Luik) en van oost naar west (Antwerpen
–Duitsland).
De toekenning van de stadsrechten had vier voordelen:
- De rechtspraak kwam in handen van schout en schepenen, (de voorgangers
van het college van Burgemeester en Wethouders) te liggen. Beroep
was in bepaalde gevallen mogelijk bij het hof van Brabant.
- Aan Eindhoven werd het marktrecht verleend. Dat betekende dat
voortaan een weekmarkt gehouden mocht worden; Dit was van groot
belang voor de instandhouding en bevordering van de handel én
vergroting van het afzetgebied. De vrije weekmarkt was alleen
voorbehouden aan de stad; bewoners uit de omtrek waren verplicht
met hun handelswaar naar Eindhoven te komen en daar op de markt
te verkopen.
- Aan de burgers van de stad Eindhoven werd tolvrijheid verleend.
Dit was van groot belang voor het stimuleren van het handelsverkeer.
Het betekende namelijk dat Eindhovense handelaren, oostwaarts
tot aan de Maas en westwaarts tot Antwerpen, bij het vervoer van
hun handelswaar geen tolgeld hoefden te betalen.
- Ook kregen burgers het recht om voor een eigen plaatselijke
rechter te verschijnen.
In 1982 is het 750-jarig bestaan van de stad Eindhoven uitbundig
gevierd.
naar boven
3.Oude Plattegronden: 5 eeuwen stadsontwikkeling
in beeld
Komt nog.
naar boven
4.Hoe is de stad aan de naam Eindhoven gekomen?
Eenduidigheid over deze vraag is er zeker niet. Talloze onderzoekers
hebben zich al op deze vraag gestort. Enkele mogelijke verklaringen
van de naam zijn:
Sommigen dachten dat Eindhoven zo arm was, dat er slechts een
bakoven werd gevonden en vandaar Een-oven en later Eindhoven zou
zijn genoemd.
Eyndthovia, omdat de zee vroeger tot deze plaats spoelde en daar
het einde der dorpen en huizen zou zijn geweest.
Deze verklaringen zijn vrij onwaarschijnlijk. Voor de onderstaande
verklaringen is echter meer te zeggen:
De oorsprong van de naam Eindhoven zou in de 5e eeuw liggen. De
naam zou afgeleid zijn van het riviertje de Einde of Ende dat we
tegenwoordig kennen als de Gender. De naam Eindhoven bestaat uit
twee delen: ‘ende’, wat rivier (de Gender) betekent en ‘hova’. Een
hova was oorspronkelijk een stuk grond van ongeveer 10 hectaren
groot, in bruikleen of pacht gegeven aan particulieren, die de gronden
in stukken van een bepaalde grootte ontgonnen. Pas later kreeg hoeve
de betekenis zoals we die nu kennen: gebouw met grond ten behoeve
van de exploitatie. Eindhoven betekent in deze verklaring dan hoeve
aan de rivier.
In zijn eerste oorsprong is de naam Eindhoven mogelijk ontstaan
als deel van Woensel. Afgaande op het gegeven dat het aan Eindhoven
grenzende gedeelte van Woensel lang de naam Eindje heeft gedragen,
(Eindje was een gehucht bij Woensel, bij de aanleg van het hoogspoor
is dit echter verdwenen), mag verondersteld worden dat dit in de
11e of 12e eeuw ook het geval was voor het zuidelijkste deel van
Woensel, dat in de delta van de Gender en de Dommel lag. Het woord
‘einde’ in de middeleeuwen was zeer bekend. Eindhoven betekent in
deze verklaring de hoeve op het einde van Woensel.
naar boven
5.Groei van Eindhoven
Een beschrijving van de regio door monnik Stefelijn uit de 11e
eeuw:
“In deze landstreek ligt Campinia (Kempenland), bestaande uit
ver uitgestrekte vlakten, door de zonnehitte verbrand. Dit land
is niet tot enige handel geschikt, noch tot het gebruik der mensen,
maar is alleen vervuld met holen of schuilhoeken van struikrovers,
uit welke holen zij met hun verdragend gezicht, terwijl niets hun
in den weg staat, de vreemde reizigers zeer gemakkelijk kunnen ontdekken”
Het kan monnik Stefelijn niet verweten worden dat het anders lopen
zou. Tot in de 19e eeuw groeide de bevolking maar langzaam en kreeg
zelfs meerdere malen te maken met een afnemend inwoneraantal. Meerdere
oorlogen en besmettelijke ziekten (pest) richtten grote slachtingen
aan onder de bevolking. In de 20e eeuw verdubbelde de Eindhovense
bevolking zich meerdere malen. Dit was onder meer te danken aan
de verbeterde gezondheidszorg, huisvesting en een enorme toeloop
van mensen van buiten de stad en regio door de sterke groei van
de werkgelegenheid. Dit was in het bijzonder het geval in de periode
1920-1930 en kan op het conto geschreven worden van Philips.
| Jaartal: |
Aantal inwoners: |
| 1232: |
Gegevens zijn niet bekend; schattingen lopen
uiteen van een paar honderd tot ongeveer 1000 personen. |
| 1400-1450: |
1.500-2.000 inwoners |
| 1648: |
geschat op 1.000 |
| 1736: |
geschat op 2.000 |
| 1791: |
Eindhoven: 1.785 |
| |
Tongelre: 704 |
| Eckart: 145 |
| Strijp: 901 |
| Blaarthem: 153 |
| Gestel: 638 |
| Stratum: 461 |
| Woensel: 2.276 |
| 1815: |
2.310 |
| 1920: |
47.946 |
| 1925: |
63.870 |
| 1930: |
95.567 |
| 1935: |
103.030 |
| 1940: |
116.310 |
| 1945: |
129.335 |
| 1950: |
143.965 |
| 1955: |
154.604 |
| 1960: |
168.858 |
| 1965: |
181.609 |
| 1970: |
189.613 |
| 1975: |
192.562 |
| 1980: |
195.669 |
| 1985: |
190.839 |
| 1990: |
190.809 |
| 1995: |
196.980 |
| 2000: |
203.433 |
| 2005: |
207.331 |
Bijzondere mijlpalen:
1928: De geboorte van de 75.000e inwoner. Op 29 oktober 1928 werd
in het gezin van een gemeentearbeider Wilhelmina Antonia van Guntlisbergen
geboren.
1934: De geboorte van de 100.000e inwoner. Op 8 november 1934
werd Jan Antoon Dekkers geboren.
1954: De geboorte van de 150.000e inwoner. Op 28 maart 1954 werd
Josje Busio geboren.
1999: De geboorte van de 200.000e inwoner. Op 13 februari 1999
werd Lucas van Bergeijk geboren.
Eindhoven is op dit moment de grootste stad van Zuid-Nederland
en de 5e stad van Nederland.
naar boven
6. Het ontstaan van Groot Eindhoven
Op straat hoor je het nog vaak. “Ik ben geen Eindhovenaar, maar
een ……”. Zelden hoor je iemand zeggen dat hij zich een echte Eindhovenaar
voelt. Maar dat iemand uit een van de voormalige dorpen komt nog
des te vaker. De gemeente Eindhoven zoals we die nu kennen bestaat
ook nog maar kort. In 1920, kampten de dorpen Tongelre, Woensel,
Strijp, Gestel, Stratum met enorme problemen op planologisch, sociaal
en financieel gebied. De arbeiders in de hard groeiende Eindhovense
industrie woonden in de omliggende dorpen. De dorpen beschikten
niet over de financiële middelen en ruimte om deze arbeiders goed
te huisvesten of te ondersteunen in geval van werkeloosheid. Vandaar
dat op 1 januari 1920 de vijf omliggende gemeenten met Eindhoven
werden samengevoegd. Frappant, dat deze laatste met veruit het kleinste
oppervlak en aantal inwoners, de naamgever wordt van deze supergemeente.
1920 Het ontstaan van groot Eindhoven: Hectares Inwoners Eindhoven
75 6.392 Gestel c.a. 650 5.630 Stratum 775 7.589 Strijp 940 7.045
Tongelre 980 3.207 Woensel 2.885 15.761 Totaal: 47.946
De bevolking van Eindhoven, zelf krap 6.500 inwoners, nam toe
met bijna 40.000 inwoners!
Het oppervlak nam toe met 6.230 hectaren!
naar boven
7. Bedrijvigheid in Eindhoven
In 1419 gaf de leenheer van de stad, Jan van Schoonvorst, toestemming
om vijf ambachtsgilden op te richten:
- Een gilde van vetten-, touwen- en schoenmakers,
- smeden, bakkers en kramers,
- brouwers, wijnverkopers en slagers,
- linnenwevers en –verkopers, pels- en leerbewerkers,
- kleermakers, wolwevers, -vollers, -ververs, -scheerders en –verkopers.
Naast een economische functie, (handhaving monopolie, reglementering
arbeidstijd en aantal arbeidsplaatsen, de prijs en kwaliteit van het
geleverde product) hadden de gilden ook een militaire functie, bij
een aanval op de stad verdedigde elk gilde een bepaald deel van de
muur of de wallen; een sociale, gilden namen de zorg voor weduwen
en wezen op zich na het overlijden van een gildelid; en een godsdienstige,
in de stadskerk had elk gilde een eigen altaar dat gewijd was aan
hun beschermheilige.
In de 16e eeuw boeten de gilden aan belang in; ze waren weinig
vernieuwend, zelfs conservatief, en niet in staat grootschalige
investeringen te plegen. Door de Tachtigjarige Oorlog (1566-1648)
ontvluchtten vele Eindhovense ambachtslieden uit de wol- en linnennijverheid
de stad, deze werd maar al te vaak geplunderd door zowel de Spaanse
als de Staatse legers. De ambachtslieden vluchtten onder andere
naar het Duitse Goch, en naar de Hollandse textielcentra als Leiden,
Amsterdam en Haarlem om daar hun beroep weer op te pakken.
Na de Tachtigjarige Oorlog, toen de textielindustrie in Holland
weer op volle toeren draaide, kwam er een nieuwe vorm van werkgelegenheid
naar Eindhoven. Opdrachtgevers uit de Hollandse textielindustrie,
ook wel commissionairs geheten, leverden grondstoffen aan commissiebazen.
Zij sponnen en weefden zelf, maar lieten ook anderen, keuterboeren,
in de huisindustrie voor zich werken. Veel keuterboeren gingen maar
al te graag in op deze mogelijkheid om thuis wat bij te verdienen.
(De lonen lagen in Brabant aanzienlijk lager dan in de Hollandse
steden.)
Later kwamen er ook Eindhovense commissionairs: De Eindhovense textielonderneming
Kerssemakers en de firma A. van Stratum behoorden tot de eersten.
Na een economische terugval aan het eind van de 18e eeuw telde Eindhoven
in 1800 volgens een inventarisatie 9 linnen-, 4 katoenen- en 2 wollenstoffenfabriekjes,
8 gemengde stoffenfabrieken, 10 textielververijen, 8 leerlooierijen
en 15 hoedenmakerijen.
In 1819 kreeg Eindhoven zijn eerste stoommachine, een primeur voor
Brabant! De 4 pk machine bevond zich in de textielfabriek van de
firma Smits en Zonen, de belangrijkste fabrikant in het begin van
de 19e eeuw.
Rond 1855 kwam er een nieuwe bedrijfstak van importantie bij: de
sigarenindustrie. Met de komst van Mignot en de Block naar Eindhoven
werden er voor het eerst sigaren van een hoge kwaliteit voor de
exportmarkt geproduceerd. In 1861 waren er in Eindhoven al 15 sigarenfabrieken.
Door de mechanisatie van het productieproces moest de arbeid,
die voorheen nog thuis plaatsvond, onder een dak samengebracht worden.
Zo ontstonden de eerste grote fabriekspanden in Eindhoven.
Behalve stoom gebruikten de fabrieken ook water uit de Dommel.
Vandaar dat bedrijven die veel water nodig hadden, de leerlooierijen
bijvoorbeeld, langs de oever van de Dommel werden gesitueerd. (Lichthofroute
langs de Dommel!)
In 1891 ging een bedrijf van start dat tot op de dag van vandaag
een belangrijk stempel op de stad drukt. Gerard en Anton Philips
gingen gloeilampen produceren voor de exportmarkt. Het bedrijf groeide
snel. In 1892 werkten er 30 mensen, in 1900 waren het er al meer
dan 450. Het groeide snel uit tot een wereldconcern met vestigingen
over de hele wereld.
naar boven
8. Nieuwkomers
Opvallend is dat de ontwikkeling van Eindhoven voor een grotendeels
te danken is aan niet-Eindhovenaren:
De sigarenfabrikanten Mignot & De Block en van Abbe, textielfabrikant
Elias en de gebroeders Philips zijn slechts enkele voorbeelden van
personen die het voordeel zagen van goedkope arbeiders, die weinig
eisen stelden omdat ze zo weinig [luxe/rijkdom] gewend waren.
Echter, de voorraad goedkope arbeidskrachten was niet onuitputtelijk
en noopte de werkgevers om arbeidskrachten van buiten de regio aan
te trekken.
In de jaren [19]20 haalt Philips daarom massaal Drentse gezinnen
uit de veenkoloniën naar Eindhoven. Aan zo’n gezin werd een, op
het eerste oog, nogal merkwaardige eis gesteld. Het betreffende
gezin moest namelijk drie dochters van boven de veertien tellen.
Deze jonge vrouwen gingen aan het werk in de radio-industrie. De
Drentse gezinnen werden voor een groot deel ondergebracht in het
‘Drents Dorp’in Strijp nabij de Philipsfabrieken.
In de jaren [19]60 en ’70 kampt de regio Eindhoven opnieuw met
een groot tekort aan goedkope arbeidskrachten. Opnieuw moet vers
bloed de almaar groeiende industrie redden. Ditmaal wordt er over
de grens geworven. Spanjaarden, Italianen en Turken werden hier
naartoe gelokt om op basis van tijdelijke contracten en verblijf
snel en, gemeten naar de situatie in hun vaderland, veel te verdienen.
Hoe anders het lopen kan blijkt wel uit de bevolkingsstatistieken
van vandaag. Veel gastarbeiders keerden niet terug maar lieten hun
gezin overkomen en vestigden zich voorgoed in Eindhoven. De Turkse
gemeenschap vormt nu veruit de grootste allochtone groep in Eindhoven.
naar boven
9. Verkeerswegen
“Eindhoven, een kleine maar bevallige stad, aan de rivieren de
Dommel en de Gender, […] ligt 6 uren van ’s Hertogenbosch, 10 uren
van Breda, […] en 14 uren van Maastricht”.
“Strijp, [….] Als eene bijzonderheid van deze plaats kan men aanmerken
dat [….] gene grote wegen of straten in dit dorp gevonden worden”.
Deze beschrijvingen dateren uit het begin van de 19e eeuw, en
illustreren dat de verkeersinfrastructuur nog niet veel uitgebreider
was dan dat uit het begin van de 13e eeuw. Eindhoven heeft immers
zijn bestaan mede te danken aan een belangrijk knooppunt van handelswegen;
Antwerpen-Turnhout-Eindhoven-Keulen en Den Bosch – Eindhoven – Luik.
Uit: Servaas van de Graaf, Historische beschrijving van het departement
Braband (Amsterdam, 1807)
In de 19e eeuw kwam hier snel verandering in:
- De aanleg van het Eindhovens kanaal geschiedde tussen 1843 en
1846. Doel was een verbinding tot stand brengen met de Zuid-Willemsvaart.
De snel groeiende Eindhovense industrie kon hier alleen maar van
profiteren.
- In 1866 kreeg Eindhoven een spoorwegverbinding met Boxtel, Venlo
en Hasselt. Vanaf 1870 was Utrecht en vanaf 1877 was Rotterdam
vanuit Eindhoven met de trein te bereiken. In 1913 kwam er een
spoorlijn via Weert naar de Limburgse kolenmijnen.
Het station lag toen nog op Woensels grondgebied. Onenigheid tussen
de gemeentebesturen beider dorpen leidde tot annexatie van het
stationsgebied door Eindhoven. De Woenselse overweg zorgde echter
voor een hoop ongemak omdat de treinen voor het overige (snel
toenemende) verkeer een steeds groter obstakel ging vormen. Dit
werd opgelost met de aanleg van het hoogspoor dat in 1953 in gebruik
genomen werd.
- In 1932 vond de opening plaats van het Luchtvaartterrein Eindhoven,
in de volksmond toen al beter bekend onder de naam Welschap. Door
de gemeente aangelegd als werkverschaffingsproject en in 1940
tot 1943 door de Duitsers in bezit genomen.
- Vanaf 1922 gingen enkele particuliere busondernemingen van start.
In 1930 was de verkeersdrukte zo toegenomen, dat plaatsing van
de eerste verkeerslichten in Eindhoven noodzakelijk werd geacht.
- In de jaren ’50 beleefde de personenauto een sterke opmars.
Dit leidde tot een explosieve toename van de verkeersdrukte. De
aanleg van de rondweg, waarvoor in 1940 het groene licht werd
gegeven, heeft dit maar ten dele kunnen verhelpen omdat het autoverkeer
alleen maar verder toenam.
naar boven
10. Eindhoven leading in technology in historisch
perspectief
Eindhoven kennen we nu als broedplaats voor hoogwaardige technologie.
De basis daarvoor werd gelegd door de stormachtige groei van het
Philipsbedrijf, dat steeds meer behoefte kreeg aan hoger opgeleide
medewerkers en zelfs wetenschappers. Om natuurkundigen en andere
wetenschappers aan het bedrijf te binden werd in 1914 een hoogwaardig
onderzoekslaboratorium ingericht, het Natlab. Onderzoek in opdracht
van de industrie was in die tijd een noviteit. Philips zou zelfs
professoren gaan leveren aan universiteiten en hogescholen!
Na WO II werd de roep om hoogopgeleiden alleen nog maar groter.
Dat was niet alleen het geval bij Philips. De technische universiteit
Delft, kon onmogelijk voorzien in die groeiende behoefte. Dat Neerlands
tweede technische hogeschool na veel gelobby in 1956 voet aan de
grond kreeg in Eindhoven was mede te danken aan de aanwezigheid
van het Natlab/ Philips en de bloeiperiode die de DAF doormaakte.
In 1986 werd de TH opgewaardeerd tot Universiteit. De TU/e heeft
nu 9 faculteiten en telt ongeveer 6800 studenten.
In 1955 ging de Academie voor Industriële Vormgeving, waar techniek
en design werden samengebracht, van start in het oude stadhuis aan
de Rechtestraat. Deze opleiding verhuisde naar de voormalige St.
Joriscollege aan de Elzentlaan, alwaar de opleiding zich verder
ontwikkelde tot een opleiding van internationale allure.
Veel onderzoeksprojecten en vondsten die in Eindhoven het levenslicht
zagen, kwamen tot stand door samenwerking tussen de industrie en
de wetenschap. Juist de combinatie van industrie, wetenschap en
design, maakt Eindhoven en omgeving tot op de dag van vandaag aantrekkelijk
voor allerhande innovatieve bedrijfstakken.
Het van oorsprong agrarische karakter van de regio, met als ikoon
de gemoedelijke Brabantse keuterboer met zijn grote kinderschare,
is voorgoed verdwenen.
naar boven
|